X

Sinterklaasgedichten maak je simpel, snel en origineel!

  • Ontvang 5 originele gedichten
  • Volledig gepersonaliseerd
  • In 2 minuten klaar!
Ga naar sinterklaasgedichten.net
Infoyo
Vragen en antwoorden
Zoek artikelen:

Enquete iPhone 4

Ontvang het laatste nieuws over "School en studie" en maak kans op 1000 euro cash.
Laat nu je e-mailadres achter. Speel gratis mee.


Biologie H1 Paragraaf 1 t/m 8

Venster sluiten

Maak een melding van dit artikel
Selecteer de motivatie van je melding:
Spam / reclame Misleidende of onduidelijke inhoud
Lage inhoudelijke kwaliteit Niet Nederlands
Erotische inhoud Artikel bestaat reeds op internet
Gokken / Illegale promotie Andere reden...

Omschrijf de motivatie van je melding:
Venster sluiten

Stuur dit artikel door
Je naam:
Je e-mailadres:
E-mailadres ontvanger:
Artikelscore
0
  Goed artikel ( 0 )
  Slecht artikel ( 0 )
RSS van bloe4561 bloe4561 Auteur op infoyo sinds
11 Januari 2010


Bekijk het profiel van bloe4561
Datum: 20-01-2010
Auteur: Bloe4561
Biologie samenvatting van Hoofdstuk 1 tot en met paragraaf 8, handig voor je proefwerken en examenstof! Bevat ook veel biologische begrippen.

Biologie: S 1t/m8

1.
Biotische factoren: Levende factoren ( mensen, dieren)
Abiotische factoren: Niet levende factoren ( zon, wind, water)

2.
Abiotische factoren samen in 1 gebied noem je de biotoop.
De biotoop van het tropische regenwoud is dus: bacteriën, schimmels, diersoorten, planten, en een geschikte leefomgeving. ( ze vormen samen een leefgemeenschap)
Biotoop en levensgemeenschap vormen samen het ecosysteem.
Het ecosysteem bestaat dus uit Abiotische en Biotische factoren binnen een bepaald gebied.

Fotosynthese = licht + H2 + CO2  glucose + O2
Planten gebruiken glucose voor de groei en andere levensprocessen. Het overschot aan glucose zetten ze om in zetmeel en slaan dit op in de: wortels, stengel en zaden.

Bij het ontkiemen van zaden wordt het reservevoedsel uit de zaden verbruikt.
Sommige zaden ( stuifzaden) komen op bomen terecht en ontkiemen zich op de boom, dit soort planten worden epifyten genoemd. Epifyten kunnen in het tropisch regenwoud zelfs op de bladeren groeien, omdat het daar zo vochtig is.

Wurgplanten komen op de kruin van een boom terecht ( worden uitgepoept door vogels) en ‘’wurgen’’ de boom.
Klim en wurgplanten worden tot de hemi-epyfiten gerekend. Ze groeien zo snel omdat ze geen steunweefsels nodig hebben.

Woestijnplanten hebben allemaal een andere overlevings manier:
Eenjarige: de bodem van de woestijn licht vol éénjarig zaad, na een wolkbreuk ontkiemen deze zaadjes razend snel. ( de woestijn is bedekt met bloemen) Na de bloei vormen de planten weer zaden die dan kunnen overleven.
Meerjarige: Na een regenbui lopen ze uit en maken een netwerk van wortels vlak onder het aardoppervlak, na de bui slaan ze het water op in de stengel.

In het tropisch regenwoud kun je ontzettend veel verschillende bomen en diersoorten aantreffen. Elk diersoort heeft zijn eigen voedsel bron. De plaats waar een bepaald die voorkomt, is zijn Habitat.

3.
In het regenwoud worden de mineralen die in de grond zitten telkens weer aangevuld. Reducenten zetten dode dieren en planten om in mineralen. Dit gaat zeer snel door de hoge vochtigheid.
De bodem van het regenwoud is maar enkele decimeters dik, daaronder komen rotsen. Door de vele regen wordt er telkens een laagje van de bodem weggespoeld. Men noemt dat erosie.

In Brazilie duurt het verbouwen van gewassen enkele jaren. De oogst word van het land afgehaald, de planten zijn dus weg en de reducenten kunnen daar dus geen mineralen meer van maken. Op een bepaald moment ontstaat er een tekort aan mineralen: uitgeputte bodem.

Het gewas groeit het best als de abiotische factoren optimaal zijn. Is 1 van de factoren onder het minimum of boven het maximum, dan groeit het gewas niet meer. Deze waarden noemen we de tolerantie grenzen voor de abiotische factor. Ieder abiotische factor heeft zijn eigen optimum.

De omvang van de oogst wordt bepaald door de factor die het minst aanwezig is: de beperkende factor. Zoals: water in de woestijn en licht in het regenwoud.

Een boer kiest meestal kunstmest, daarmee kun je de samenstelling nauwkeuriger vaststellen. Ook houden boeren van mineralen rijke grond, luchtig en moet goed water kunnen vasthouden.

4.
Belangrijke voedingsstoffen zijn: eiwitten, vetten en koolhydraten: organische stoffen.
Planten nemen mineralen, water en Co2 op: anorganische stoffen. Hiermee maken ze fotosynthese. De planten zijn de producenten en staan aan het begin van de voedselketen. ( autotrofe organismen: maken hun eigen voedsel.) Dieren zijn consumenten en kunnen dat niet: heterotrofe organismen.

Je hebt verschillende rollen in het ecosysteem: prooi, roofdier, bestuiver enz. Zo’n rol heet: ecologische niche. ( niche = functie)

Parasitisme ( kleurloze planten)
Kleurloze planten kunnen geen fotosynthese maken, dus dringen ze met hun wortels bij wortels van andere planten binnen om glucose binnen te krijgen.
Commensalisme: epifyten kunnen leven op een gastheer, zonder dat de gastheer er last van heeft.
Mutualisme: is een zeer belangrijke vorm van de samenleving in het regenwoud. Door de vergroeiing van schimmels en wortels ontstaat er een extra transportsysteem van mineralen naar de planten. En dat is nodig, want er zijn weinig mineralen in de bodem van het regenw.

Soms is een organisme direct afhankelijk van een ander organisme om te overleven. Er is dan sprake van symbiose.

Een groep dieren van één soort in een bepaald gebied heet een populatie. Een contante populatie van planten zorgt voor een constante populatie van dieren. Schommelt de grootte van elke populatie rond een bepaalde waarde dan spreekt men van een natuurlijk evenwicht.

5.
Consumentenstrijd: de strijd om de verdeling van het land.
In Nederland hebben natuurlijke landschappen plaats gemaakt voor cultuurlandschappen.

Sloten die niet worden uitgebaggerd zullen verlanden. Planten die tegen minder water kunnen zullen de plaatsen van waterplanten innemen. Opeenvolging van soorten in een bepaalde tijd noem je successie. Na een lange periode veranderd de samenstelling van het gebied niet meer. Er is een climaxstadium ontstaan. (biomassa is gelijk, de soorten zijn stabiel.)

Op geploegd land waar verder niks groeit ontstaan kruidachtige planten: pioniers. Door de snelle groei bedekken ze het akker zeer snel.


Proces successie:
1. oorspronkelijke soorten verdwijnen  andere soorten komen daarvoor in de plaats.
2. totaal aantal soorten neemt toe
3. onderlinge relaties worden ingewikkelder
4. de massa van de organismen neemt toe: Biomassa.

Akker met 1 soort gewas = monocultuur. Het voordeel daarvan is dat je het gebied op de zelfde wijze kunt bewerken. Het nadeel is dat door 1 mindere Abiotische of Biotische factor de hele oogst kan mislukken.

DDT een aselectief middel dood niet alleen de insecten, maar ook de insectetende dieren. De toename van gifstof in de voedselketen heet accumulatie. Bovendien is DDT slecht afbreekbaar: persistent middel.

Reacties op dit artikel
Wees de eerste die een reactie plaatst!
Plaats een reactie
Naam:
E-mailadres:

Reactie:

Auto en vervoer Computers en internet Dier en natuur Electronica Eten en drinken Financieel Hobby en vrije tijd Huis, tuin en wonen Kunst en cultuur Mens en gezondheid Mijn mening over... Muziek, Tv en films Samenleving en ontwikkeling School en studie Sport Vakantie en vermaak Wetenschap Zakelijk




      Home   -   Aanmelden   -   Top artikelen   -   Nieuwe artikelen   -   Sitemap   -   Help   -   Links   -   Privacy policy   -   Contact
Copyright © 2018 - Infoyo.nl