X

Sinterklaasgedichten maak je simpel, snel en origineel!

  • Ontvang 5 originele gedichten
  • Volledig gepersonaliseerd
  • In 2 minuten klaar!
Ga naar sinterklaasgedichten.net
Infoyo
Vragen en antwoorden
Zoek artikelen:

Enquete iPhone 4

Ontvang het laatste nieuws over "School en studie" en maak kans op 1000 euro cash.
Laat nu je e-mailadres achter. Speel gratis mee.


Biologie H2 samenvatting

Venster sluiten

Maak een melding van dit artikel
Selecteer de motivatie van je melding:
Spam / reclame Misleidende of onduidelijke inhoud
Lage inhoudelijke kwaliteit Niet Nederlands
Erotische inhoud Artikel bestaat reeds op internet
Gokken / Illegale promotie Andere reden...

Omschrijf de motivatie van je melding:
Venster sluiten

Stuur dit artikel door
Je naam:
Je e-mailadres:
E-mailadres ontvanger:
Artikelscore
+1
  Goed artikel ( +1 )
  Slecht artikel ( 0 )
RSS van bloe4561 bloe4561 Auteur op infoyo sinds
11 Januari 2010


Bekijk het profiel van bloe4561
Datum: 20-01-2010
Auteur: Bloe4561
Dit is een samenvattig van Biologie H2. Deze bevat veel termen die uitgelegd zijn die belangrijk zijn in proefwerken...

Samenvatting biologie hoofdsuk 2

ß1)
Cellen: dat zijn blaasjes die ademen en voeden, is het leven in een organisme. Is eenheid van leven. En opgebouwd uit organellen.
Cellen nemen stoffen op en geven ze af.
Systematiek: de indeling van cellen in een systeem.
Rijken: er zijn 4 rijken, planten, dieren, schimmels en bacteriŽn.

ß2)
BacteriŽn zijn de makkelijkst opgebouwde cellen daarom zijn ze de basis van andere rijken. BacteriŽn staan bekend als lastposten, maar sommige kunnen we ook echt niet missen. Ook bij het maken van verschillende voedingstoffen (kaas, yoghurt, kwark). Bacterie bestaat uit:
ē Celwand: kan bestaan uit cellulose of chitine, meeste stoffen kunnen door de celwand heen. Alleen als er extreme omstandigheden zijn wordt de celwand dikker niet meer lek (en kan toch overleven) Celwand beschermt de inhoud van bacterie tegen beschadiging.
ē Celmembraan: dunne laag die voornamelijk bestaat uit vet- en eiwit moleculen. Kunnen stoffen de cel binnenkomen of verlaten (niet alle stoffen).
ē Chromosoom: Zit DNA/RNA in, zorgt voor de activiteiten van bacterie. DNA en RNA bevat info waarop staat hoe je eiwitten maakt.
ē Grondplasma: is slijmerige vloeistof waarin de organellen liggen. Bestaat uit water en eiwitten.
ē Cytoplasma: grondplasma+organellen.
BacteriŽn planten zich voort door celverdubbeling. Hierdoor kunnen bacteriŽn heel snel toenemen gevaarlijk, want sommige maken soort gif. Sommige cellen in het menselijk lichaam doden bacteriŽn of er worden antistoffen gemaakt.
BacteriŽn van dezelfde stam kunnen DNA/RNA uitwisselen buisjes.
Plant heeft zelfde opbouw als bacterie, alleen organellen in het grondplasma:
ē Kern: zitten chromosomen in met DNA.
ē Vacuole: vochtblaas zit water in met opgeloste stoffen.
ē Bladgroenkorrels: hierdoor staan planten vooraan in voedselketens want ze doen daardoor aan fotosynthese, maken ze zelf glucose uit water en CO2. Planten zijn autotroof, maken van anorganische stoffen organische stoffen.
Chloroplasten: bevinden zich in bladeren (soms stengels) is groen worden ze rijp dan gaat de groene kleur weg en worden ze chromoplasten. Dit is een oranje kleur. Aardappels zijn ook eerst groen, dan gaan de chloroplasten over in leukoplasten (zetmeelkorrels). Al die kleuren zijn plastiden. Maar hoeft niet te liggen aan plastiden kan ook door kleurstoffen opgelost in vacuole.
Penicilline: ontdekt door Alexander Fleming was bezig met bacteriŽn en toen zat er per ongelijk een schimmel bij in, tot zijn verbazing sterfte de bacteriŽn af. Penicilline is goed geneesmiddel voor bacteriŽle infecties antibioticum.
Schimmels hebben ook veel gemeen met bacteriŽn: celwand van chitine, celmembraan, en wel een kern. Schimmels maken stoffen die bij ons soort verteringssappen zijn organische stoffen afbreken tot kleinere daarom zijn schimmels heterotroof.
Een dier heeft 1000-en typen cellen, de makkelijkste zijn dekcellen.
Weefsel: cellen die bijna gelijk van vorm zijn en samen een groep vormen. Weefsel heeft niet alleen de functie van de cellen maar ook nog extra weefsel functie. Als je een groep weefsels hebt met een bepaalde functie hebt dan heb je een orgaan. Bijvoorbeeld maag spieren en klieren die werken door de hersenen. Maar die spieren hebben ook voedingstoffen nodig. Dus die worden er door bloed heengebracht.
(Blz 54 plaatje 2.7)
Virussen: bestaan grofweg uit DNA en RNA met daarom heen een mantel van eiwit. Ze leven in levende cellen en kunnen daarin snel vermeerderen. De cellen waarin ze dat doen gaan dood en komen er 1000-en nieuwe virussen vrij en gaan ze weer in nieuwe cellen zitten. Virus is geen rijk omdat zij zich in een gastheercel moeten voortplanten.

ß3)
Kern en mitochondriŽn: zijn ontstaan uit vrij levende bacteriŽn. Ook chloroplasten in planten.
De kern heeft ook nog verschillende onderdelen:
ē Kernplasma: waterige oplossing met onder andere eiwitten
ē Chromatine: korreltjes in het kernplasma.
ē Chromosomen: eiwitdraden met DNA: regelt via RNA levensprocessen.
ē Kernlichaampje: bevindt zich RNA
ē Chromatine: korrelige massa, alleen de verdikte chromosomen.
ē Kernmembraan: begrenzing van de kern.
ē PoriŽn: openingen in het kernmembraan, kunnen stoffen vanuit grondplasma naar kernplasma en vice versa.
In elke cel is er heel veel activiteit energie voor nodig. MitochondriŽn: zijn de energiecentrales. De brandstoffen die mitocondriŽn gebruiken zijn energierijke moleculen ontstaan in grondplasma na afbreken grotere moleculen. Door zuurstof worden die energierijke moleculen omgezet in water en CO2 dessimilatie. Hierdoor komt er veel energie vrijATP. Bewegen zicht vrij en geven energie waar dat nodig is.
ATP is het belangrijkste product van mitochondriŽn. ATP ontstaat door ťťn extra fosfaat molecuul toe te voegen aan ADP.
Cel heeft verschillende organellen:
ē Ribosomen: bolletjes waarin eiwit wordt gemaakt (eiwit belangrijke bouwstenen en uitvoerders voor reacties in cel).
ē Chloroplasten: bladgroenkorrels, vangen de zon op. Kan er ATP gemaakt worden. Dan is er brandsof en samen met CO2 en water maakt plant dan glucose assimilatie, in elkaar zetten.

Wat gebeurt er met glucose als het uit chloroplasten gaat:
ē Brandstof: bij dessimilatie wordt glucose weer uit elkaar gehaald in water en CO2 en daarbij komt energie vrij ATP
ē Een deel wordt omgezet tot eiwit (dient als bouwstof en gebruiken bij reacties in cel) door mineralen uit bodem.
ē Omzetten in vet (brandstof) bouwstof voor membranen
ē Cellulose maken  opbouw van celwanden
ē Zetmeel opslaan in leukoplasten
Grondplasma is vloeibaar transport in cel makkelijk, molecuul stroomt mee door stroming. Membranen: daarmee kunnen moleculen de goede kant op stromen. Endoplasmatisch reticulum: netwerk van buizen door membranen. Sommige zijn met ribosomen producten afgeven aan kanalen. Het e.r geeft eiwitten af aan kleine blaasjes. Golgi-systeeem: verzamel distributiesysteem. Staat ook in contact met het e.r. golgisysteem geeft blaasjes af die naar opp gaan en daar (vet eiwit en afbraakproducten afgeven). Lysosomen: agressieve eiwitten, die bij de dood van cel ervoor zorgen dat hij automatisch wordt afgebroken.
Celmembraan: laten sommige stoffen wel door en andere niet selectief. Membranen bestaan uit twee lagen vetmoleculen en ook eiwitmoleculen. Die eiwitmoleculen zorgen voor de poorten. Sommige moleculen schieten door de vetlagen heen, zuurstof water en CO2. Grotere moleculen moeten door poorten. Celmembraan laat telkens stoffen naar binnen en andere naar buiten concentratie opgeloste stoffen. Actief transport: transporteren via de poorten kost energie.
Diffusie: deeltjes die zich in vloeistoffen en gassen verspreiden. Stoffen verdelen zich hierdoor gelijkmatig over bepaalde ruimte. Deeltjes gaan van hoge concentratie naar een lage concentratie totdat de concentratie gelijk is. Passief transport: diffusie kost geen energie.
Endosymbiont-hypothese: mitochondriŽn, chloroplasten en keren vrij levende bacteriŽn. Door fagocytose in cel gekomen en daardoor is huidige cel gemaakt.

ß4)
Met een infuus wordt er heel goed gecontroleerd of de concentratie opgeloste stoffen goed is, kan anders fataal aflopen.
Permeabele membraan: volledig doorlaatbaar, dan kunnen moleculen van de ene helft zo naar de andere helft diffunderen.
Semipermeabele mebraan: half doorlaatbare membraan. laat wel water door maar geen opgeloste moleculen. Als je een bak opdeelt in twee helften en de ene helft is met opgeloste moleculen in water en de andere kant alleen water, gaat er water van de water kant naar de opgeloste moleculen kant totdat de concentratie net zo groot is als de kant van het water. Er zou dan dus meer vloeistof aan de kant met opgeloste moleculen komen dan aan de water kant. Diffisie door halfdoorlaatbare membraan is osmose.
Osmotische druk: druk van oplossing, als de druk even groot is als aanzuigende kracht van oplossing zou het niveau niet meer stijgen. Osmotische druk is even groot als hydrostatische druk. Je kan de osmotische druk meten met een osmometer. De osmotische druk ten opzichte van zuiver water is de osmotische waarde. Eiwitten zorgen voor colloÔd-osmotische druk.
Onze lichaamsvloeistoffen hebben dezelfde osmotische waarde als zeewater, alleen is zeewater anders opgebouwd. Bloedcellen krimpen of zwellen niet op, er gaan ongeveer evenveel water moleculen in als uit osmotisch evenwicht.
Celwanden zijn volledig doorlaatbaar voor water. Hierdoor kan een plantencel door het celmembraan water aanzuigen als de osmotische waarde in de cel hoger is. De celwand is elastisch en buigt met de cel mee, totdat de druk te groot is  geen wateropname meer. Turgor: de druk die een gezwollen cel uitoefent op de celwand. Veranderd de celvolume niet is turgor en wanddruk even groot. Een cel met turgor heeft grotere osmotische waarde dan omgeving. Dat verschil bepaald hoeveel water er opgenomen wordt.
Als een plant teveel voeding krijgt dan gaat hij verwelken, omdat de osmotische waarde om de cel dan groter is als in de cel en het dus water verliest. Plasmolyse: als de celmembraan loslaat van de celwand. Grensplasmolyse: als de wanddruk dan pascal is.

ß5)
Cellen geven stoffen af, zetten in andere stoffen veranderingen in. Ze verlaten de cel op verschillende manieren. Door het golgi-systeem en poortjes van celmembranen. Receptoren: buitenkant van celmembraan zitten soort antennes. Zij kunnen boodschappermoleculen binden. Reactie tussen boodschappermoleculen en receptoren zorgt voor reactie in cel.
3 manieren van vervoeren:
ē Veel cellen staan rechtstreeks in contact met buren door plasmakanalen door celmembraan. Staat grondplasma in verbinding met de buren.
ē Tussen cellen is een nauwe ruimte, weefselvocht. Hierdoor kunnen de boodschappermoleculen naar naburige cellen.
ē Door het bloed. Dan reist de stof een stukje mee in het bloedvatenstelsel. Dit zijn hormonen.
Transplantatie: lichaamsvreemd weefsel wordt van donor naar ontvanger gedaan. Ontvanger is de acceptor. Witte bloedcellen zijn gevoelig voor lichaamsvreemde stoffen. Ze gaan erom heen zitten en verteren de lichaamsvreemde stoffen. Het kan dus zijn dat er een afstotingsreactie komt bij donorweefsel. Je kan dat tegen gaan door medicijnen maar dan kunnen ziekteverwekkers ook zomaar hun gang gaan.

ß6)
Stekelbaars en zalm trekken vanuit zee naar rivier om te paaien. Zalmen krijgen een inwendige metamorfose. De hele osmotische waarde veranderd. Zalmen kunnen heel slecht tegen vervuild water. De regels voor zware metalen zijn wel strenger geworden maar is nog steeds gevaarlijk. Sommige metalen zoals koper en zink zijn onmisbaar terwijl een teveel gevaarlijk is. Cadmium: kan makkelijk de plaats van magnesium calcium en zink innemen kan in cel ook daarvoor in de plaats.
Polychloorbifenylen (pcb) zijn persistente stoffen goed oplosbaar in vet. Opeenhoping in vetweefsel opeenhoping in voedselketen.

ß7)
Dieren in de woestijn hebben minder water verlies omdat zij niet plassen maar droge korrels uitwerpen met afvalstoffen en ze zweten nauwelijks. Het ligt ook aan de soort huid. Aardappels door schil. Zaden zijn vaak verpakt in houtlaag. Om bladeren en stengels zit een waslaag cuticula.
Bij takken en stammen beschermt de kurklaag voor uitdroging.
Een hoornlaag beperkt waterverlies bij mensen en dieren. Bij de longen verliezen mensen wel veel vocht, dat is dunne laag. (longepitheel=binnenbekleding van longen). Sommige planten hebben geen kurk/waslaag en die hebben de ademholtes via de huidmondjes in verbinding met buitenlucht. Hierdoor= er gaswisseling: cellen die grenzen aan ademholtes nemen CO2 op en geven zuurstof af. De huidmondjes kunnen sluiten en zorgen ervoor dat er geen verlies van turgor komt (dus niet te veel water verlies).
Wortels hebben ook kurklaag en daarom kunnen ze maar met een klein deel water opnemen. Als het droog is worden ze dan goed beschermd. De cellen die wel opnemen kunnen als het vochtig is uitlopers maken en daarom kunnen ze dan nog meer opnemen.
Concentratie opgeloste cellen hangt af van de concentratie in de omgeving. Een cel bestaat voor het grootste gedeelte uit water, het cytoplasma heeft wat opgeloste stoffen (eiwitten, mineralen, suikers etc.)

Reacties op dit artikel
Wees de eerste die een reactie plaatst!
Plaats een reactie
Naam:
E-mailadres:

Reactie:

Auto en vervoer Computers en internet Dier en natuur Electronica Eten en drinken Financieel Hobby en vrije tijd Huis, tuin en wonen Kunst en cultuur Mens en gezondheid Mijn mening over... Muziek, Tv en films Samenleving en ontwikkeling School en studie Sport Vakantie en vermaak Wetenschap Zakelijk




      Home   -   Aanmelden   -   Top artikelen   -   Nieuwe artikelen   -   Sitemap   -   Help   -   Links   -   Privacy policy   -   Contact
Copyright © 2018 - Infoyo.nl